DUQUESNE' S PIPPELING.

uquesne' s Pepping (Handbuch, I, S. 347).
Pépin Duquesne (andré leroy, Catalogue, Angers 1865).
afkomst: evenmin als de heer oberdieck (in het boven aangehaalde Handbuch) kunnen wij met zekerheid iets anders mededeelen, dan dat deze voortreffelijke variëteit waarschijnlijk door den abt duquesne in België gewonnen werd; dit vermoeden wordt eenigszins bevestigd door den heer diel , die ze vermeld onder de uit Brussel ontvangene soorten.
vorm: zeer regelmatig, altijd standvastig dezelfde.
grootte: tusschen de derde en vierde afwisselend; de afgebeelde vrucht behoort onder de grootsten.
kelk: wijd open, met lange, breede, opstaande, veelal onvolkomene blaadjes, in eene wijde, bijna vlakke, van vouwtjes omgevene holte.
steel: kort, dik, meestal van een vleeschknobbeltje voorzien, in eene wijde, ondiepe, schotelvormige, met roest bekleede holte.
huid: glad, somtijds door roestfiguren meer stroef, somtijds eenigszins vettig, bij het plukken geelachtig groen, bij meerdere rijpheid groenachtig geel, aan de zonzijde met een somber rood overtogen, dat nu eens gevlamd, dan weder gemarmerd voorkomt, somtijds figuren vormt en meestal ook aan de schaduwzijde wordt gevonden. Verder vertoont de vrucht vele fijne stippen en dun roest, dat zich stervormig en in vele andere figuren voordoet.
vleesch: roomkleurig, met gele aderen, fijn, zacht, aan dat van den Wijker Pippeling herinnerend , van een zeer aangenamen, verfrisschenden, zeer geurigen smaak.
klokhuis: klein, met middelmatige cellen en vele volkomene, dikke, donkerbruine pitten.
gebruik: December—Maart; — van den eersten rang voor het dessert, voortreffelijk.
De boom groeit matig en neemt een schoonen vorm aan. De twijgen zijn middelmatig, olijfbruin, met fijne, ovale, grauwe, ongelijk verdeelde stippen, de scheuten middelmatig, stevig, licht violet-kleurig, met dunne wol bedekt; de bladstelen 0.015—0.025; de bladeren eirond, stompgetand, spits. Wij bevelen deze soort aan als pyramide, leiboom, cordon en dwerg, en wenschen dat onze beschrijving iets zal medewerken om deze uitstekende vrucht hier te lande meer algemeen te verspreiden en haar zoo voor den ondergang te bewaren, waaraan ze door het te groote heirleger van mindere soorten bijna was prijsgegeven,