Ontginning van de waard
|
| Oorspronkelijk verkavelingspatroon en middeleeuwse vindplaatsen (bron: Archeomedia) |
 |
|
|
| Gouderakse Tiendweg |
 |
|
|
Poldersysteem
(bron:
chs.zuid-holland.nl) |
 |
|
|
Sommige hennepakkers zijn nog steeds herkenbaar in het landschap
(bron:
fotodienst
utrecht.nl) |
 |
|
Ten zuiden van Gouda ligt de Krimpenerwaard. In de Romeinse tijd hebben langs de IJsseloevers hier en daar vestigingen bestaan van mensen die hoofdzakelijk van visserij, jacht en veeteelt leefden. In de vroege middeleeuwen was de Krimpenerwaard een drassig, ontoegankelijk gebied, begroeid met moerasbos. Alleen de oevers van de Hollandsche IJssel waren geschikt voor bewoning.
De ontginningsgeschiedenis is een belangrijk aspect voor het ontstaan en de ruimtelijke samenhang van het gebied van de Stolwijkersluis en de achterliggende polder Veerstalblok. Volgens gegevens in een oorkonde uit het jaar 944 zou een eerste bedijking van de streek tussen Lek en IJssel in de tweede helft van de negende eeuw (850-900) tot stand zijn gekomen. Uit recente vondsten langs de Gouderakse Dijk en het tracé van de zuidwestelijke randweg blijkt dat hier in de middeleeuwen en waarschijnlijk ook in de Romeinse tijd mensen hebben gewoond.
De grote ontginning van de Krimpenerwaard begon in de 11e eeuw langs de rivieren en was in de 14e eeuw voltooid. De ontginning van de waard gebeurde vanaf de oeverwallen (de natuurlijke ‘rivierdijken’) van de Lek, de Hollandsche IJssel en de Vlist. De Gouderaksedijk is vermoedelijk een oud ontginningslint van 11e tot 12e-eeuwse boerderijen. Bij de ontginning ontstonden smalle, langgerekte kavels met sloten loodrecht op de rivieren. De kavels waren 100-120m breed en hadden een maximale lengte van ongeveer 1250 meter. Dit werd cope-ontginning genoemd. Er zijn in de loop van de tijd meer sloten bijgekomen. Dat was nodig om het land voldoende droog te houden. De afwateringseenheden werden gevormd door kaden en zogenaamde tiendwegen. Via boezems werd het water uitgelaten of gemalen. De veenstroompjes en lange weteringen werden behalve als afwateringskanaal ook gebruikt voor transport van goederen.
Het ontginningswerk gebeurde door boeren. Zij rooiden de begroeiing, groeven sloten en watergangen om het land te ontwateren, en legden sluizen en kaden aan om de waterstand te kunnen beheersen en het land te beschermen tegen water uit rivieren of aangrenzende gebieden. Zo werden blokken wildernis omgevormd tot akkers en weilanden. Een of meer ontginningsblokken vormden een ambacht, een dorp. In de Krimpenerwaard waren de meeste van die dorpen tot de gemeentelijke herindeling van 1985 zelfstandige gemeenten.
Door de drassige bodem en de frequente wateroverlast was het ontgonnen gebied grotendeels in gebruik als grasland. Alleen op kleine akkers bij de boerderijen werden enkele gewassen geteeld. Op enkele plekken groeven boeren putten om turf te winnen voor eigen gebruik. Deze putten vormen nu vaak kleine natuurgebieden. Naarmate er meer water aan het gebied werd onttrokken, begon de grond in te klinken; zo ook de klei op veenkussens. Men werd gedwongen de woonplaatsen op te hogen. Hierdoor ontstonden kleine terpjes of grienden zoals het Hofland bij het Beijersche.
In de eeuwen na de ontginning is er niet veel veranderd in het uiterlijk van het gebied. In de 16e en 17e eeuw werd het agrarische gebruik van de waard getypeerd door de hennepteelt. De hennepteelt is ontstaan in samenhang met de scheepvaartindustrie in het westen van Nederland. Het touwwerk en de zeilen van de schepen waarmee Nederland de wereldzeeën bevoer, werden grotendeels gemaakt van de hennep die in de veenweidegebieden geteeld werd. Hennepteelt vond plaats op kleine akkertjes direct achter de boerderijen. De teelt had veel mest nodig, zodat er ook koeien werden gehouden op de boerderijen. De hennep, melk en boter zorgde voor een bloeiende handel. Het platteland profiteerde goed van de welvaart in die eeuwen. Het land bestond naast de hennepakkertjes vooral uit natte hooilanden. Weiland zoals we dat nu kennen was er toen nauwelijks. De opkomst van de stoomschepen betekende een vrij plotseling einde aan de hennepteelt en de welvaart. Nu is er in het landschap nauwelijks meer iets te zien van de vroegere hennepteelt. Hier en daar vind je nog smalle met knotwilgen omzoomde akkertjes.
In het plangebied zijn ze niet meer. De hooilanden zijn drooggelegd en weiland geworden. De meeste opgaande beplanting is gerooid. Langs de Gouderakse Tiendweg en langs de erven zijn er nog wel knotwilgen.
|